De dood van de werknemer

De leden 7 en 8 van art. 7:667 Burgerlijk Wetboek noemen uitdrukkelijk de bedingen die betrekking hebben op: – het in het huwelijk treden van de werknemer; – het aangaan van een geregistreerd partnerschap en – de zwangerschap of de bevalling van de werkneemster. Als het gaat om de zwangerschap of de bevalling van de werkneemster geldt uitdrukkelijk een opzegverbod (zie art. 7:670 lid 2; zie 6.3).

Maar zoals hiervoor al is geschreven zijn er meer opzegverboden. De vraag rijst dan of bedingen die daarop betrekking hebben wel zijn toegestaan omdat zij niet uitdrukkelijk zijn verboden of dat ook in dat geval sprake is van nietigheid, omdat daarmee dan heel eenvoudig het stelsel van opzegverboden kan worden omzeild. In de literatuur wordt het standpunt ingenomen dat dingen waardoor opzegverboden kunnen worden omzeild nietig zijn.

Denk dan aan (zie art. 7:670 lid 1 BW; zie 6.2), aan vakbondsactiviteiten (zie art. 7:670 leden 5-6 ZW; zie 6.8), aan het geldend maken van het recht op ouderschapsverlof (zie art. 7:670 lid 7 BW; zie Deel 1 7.3.9) en aan het vervullen van de militaire dienstplicht (zie art. 7:670 lid 3; zie 6.6). Maar ook een genuanceerder standpunt komt voor. Nietigheid van een dergelijk beding wordt wel aanvaardbaar gevonden voor een opzegverbod wegens ziekte vanwege de verstrekkende gevolgen daarvan, terwijl een dergelijk beding wat betreft de militaire dienst acceptabel is.

Dit genuanceerde standpunt oogt redelijk, maar wij menen dat de sanctie van nietigheid op al de bedingen waardoor het mogelijk wordt de opzegverboden te omzeilen hoort te rusten. Als argumentatie kunnen de systematiek van het ontslagrecht en de daarin voorkomende opzegverboden worden aangevoerd. De wetgever heeft aangegeven in welke situaties een opzegverbod geldt en “heeft daarbij geen gradatie aangebracht in de reikwijdte ervan.

Het huwelijk en als gevolg daarvan het geregistreerde partnerschap valt niet (meer) onder de opzegverboden maar onder de reikwijdte van gelijke behandelingswetgeving maar meer in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op grond van art. 7:646-7:647 Burgerlijk Wetboek (zie Deel 2 4.4) en het niet mogen maken van onderscheid op grond van burgerlijke staat waarvan in de Algemene wet gelijke behandeling sprake is (zie art. 1 onderdeel b AWGB; zie Deel 2 4.6).

De dood van de werknemer

Art. 7:659 lid 1 Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat de werknemer de bedongen ar-persoonlijk moet verrichten (zie Deel 1 5.2). Dit persoonlijke karakter van de te ten arbeid ligt ten grondslag aan art. 7:674 lid 1 Burgerlijk Wetboek waarin is d dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt door de dood van de werk-” Alle normaal op de werknemer rustende verplichtingen die samenhangen het einde van de arbeidsovereenkomst, zoals het ontruimen van de dienstwoning.

Het opzegverbod wegens huwelijk was bij wet van 6 mei 1976, Stb. 1976, 295 aan art. 7A: 1639h (oud; thans art.. 7-k-70) BW toegevoegd, maar bij de wet van 1 maart 1980, Stb. 1980, 86, verwerkt in art. 7A: 1637ij (oud; dans art. 7:646-7:647) BW). Zie hierover onder meer: S.W. Kuip 1993, p. 229-249. beleef van 2 maart 1994, houdende algemene regels ter bescherming tegen discriminatie op grond van ~dienst, levensovertuiging, politieke gezondheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele of burgerlijke staat.